woensdag 17 september 2014

BALLADE-13 b a l l a d e 2

B A L L A D E 2

2.1
     De wereld wentelt inwaarts, beschermend, beteugelend de trots
     Opengebroken eieren lopen genietend leeg in volle stillevens
     Ik zie mooie poldermensen zwerven in de steppe
     Omgewoelde evolutionaire lelijkheid doet mijn gespannen hoofd tintelen
     En pal tussen mijn wenkbrauwen verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van groene honden
     Waarin trots groen is als zwaaien in steppen
     Ik beaam waar hun zwaaiende lied over zingt
     Was niet ieders intentie ooit verwelkt door trots?
     O wat is het bestaan buitenissig, wentelend uitzinnig!


2.2
     De wenteling suggereert verandering, openbrekend, eliminerend de woede
     Bloeiende dagen spatten genietend uiteen in gebroken momenten
     Ik hoor onverschillige grootstadmensen joelen in de woestijn
     Gapende statistische gretigheid doet de verlaten zoutopslag glinsteren
     En laag bij de grond verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van sidderende varkens
     Waarin woede sidderend is als vleien in woestijnen
     Ik beaam waar hun vleiende lied over zingt
     Was niet ieders idealisme ooit ontspoord door woede?
     O wat is het bestaan buitenissig, suggestief uitzinnig!


2.3
     De suggestie overtuigt algemeen, bloeiend, uitschakelend de schaamte
     Verwerpende feiten keren genietend terug in verlepte droomtheorieën
     Ik zie sombere steppemensen boetseren aan het meer
     Stormige economische pittigheid doet het korrelige gruis opdwarrelen
     En fragieler dan een muizenskelet verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van ritselende spinnen
     Waarin schaamte ritselend is als kleien aan meren
     Ik beaam waar hun kleiende lied over zingt
     Was niet ieders hand ooit klam van schaamte?
     O wat is het bestaan buitenissig, overtuigend uitzinnig!


2.4
     De overtuiging weerkaatst intens, verwerpend, verzwelgend het verlangen
     Tartende conclusies schateren genietend balorig met zeurende calamiteiten
     Ik zie holle kustmensen tuinieren in de prairie
     Parabolische filosofische diepte doet mijn zwarte steen fonkelen
     En omringd door een spiraal verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van bloesemende slangen
     Waarin verlangen bloesemend is als snoeien in prairies
     Ik beaam waar hun snoeiende lied over zingt
     Werd niet ieders geduld ooit beproefd door verlangen?
     O wat is het bestaan buitenissig, weerkaatsend uitzinnig!


2.5
     De weerkaatsing rommelt donker, tartend, bedarend de afgunst
     Anticiperende valpartijen klampen genietend vast aan grillige fantasieën
     Ik zie directe hellingmensen landen op het strand
     Gekalkte theologische diffusie doet mijn afgesleten penseel zuchten
     En in de onmetelijke verte verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van solide eenden
     Waarin afgunst solide is als rooien op stranden
     Ik beaam waar hun rooiende lied over zingt
     Was niet ieders temperatuur ooit onstabiel van afgunst?
     O wat is het bestaan buitenissig, rommelend uitzinnig!


2.6
     Het gerommel communiceert meerduidig, anticiperend, verschrompelend de arrogantie
     Rondstrooiende effecten paren genietend balancerend met stagnerende verwondering
     Ik zie geprofileerde toendramensen slachten op het terras
     Gecodeerde wiskundige vlakheid doet mijn koortsige blos glanzen
     En eerder rood dan roze verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van elegante koeien
     Waarin arrogantie elegant is als draaien op terrassen
     Ik beaam waar hun draaiende lied over zingt
     Stond niet ieders branie ooit bol van arrogantie?
     O wat is het bestaan buitenissig, communicerend uitzinnig!


2.7
     De communicatie verbijstert indirect, rondstrooiend, dempend het drijfzand
     Aardende schitteringen schokken genietend na in erotiserende trillingen
     Ik zie forse meermensen morsen in het bos
     Latente metafysische brosheid doet mijn verzengende energieën splijten
     En op de naadloze scheidslijn verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van oranje paarden
     Waarin drijfzand oranje is als knoeien in bossen
     Ik beaam waar hun knoeiende lied over zingt
     Werd niet ieders geluk ooit opgeslokt door drijfzand?
     O wat is het bestaan buitenissig, verbijsterend uitzinnig!


2.8
     De verbijstering stemt stil, aardend, bedwingend de wreedheid
     Verschroeiende vonken galmen genietend na in borrelende melancholie
     Ik hoor inerte grotmensen eisen op het eiland
     Verleidelijke astronomische zuiging doet mijn piepende longen krimpen
     En scherend over het water verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van wasemende salamanders
     Waarin wreedheid wasemend is als bemoeien op eilanden
     Ik beaam waar hun bemoeiende lied over zingt
     Werd niet ieders zwijgen ooit gerekt door wreedheid?
     O wat is het bestaan buitenissig, stemmig uitzinnig!


2.9
     De stemming misleidt fluisterend, verschroeiend, neutraliserend de gal
     Bewarende egels vinden genietend aansluiting bij smakkende pijnen
     Ik hoor sprankelende savannemensen vloeken in het moeras
     Bewolkte chemische dofheid doet mijn jeukende bulten kermen
     En bedoeld voor een ander verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van zwiepende katten
     Waarin gal zwiepend is als verfoeien in moerassen
     Ik beaam waar hun verfoeiende lied over zingt
     Was niet ieders tong ooit bitter door gal?
     O wat is het bestaan buitenissig, misleidend uitzinnig!


2.10
     De misleiding verdwaasd kortstondig, bewarend, temmend de gulzigheid
     Prikkende stekels ketsen genietend af op vermoeide bravoure
     Ik zie stugge rivieroevermensen ploegen in de toendra
     Kloppende neurologische spontaniteit doet de vermolmde pijler wankelen
     En als een schrale mirage verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van bruine schapen
     Waarin gulzigheid bruin is als zaaien in toendras
     Ik beaam waar hun zaaiende lied over zingt
     Was niet ieders weegschaal ooit bedolven onder gulzigheid?
     O wat is het bestaan buitenissig, verdwazend uitzinnig!


2.11
     De verdwazing inspireert individueel, prikkend, bettend de tranen
     Afscheidend eelt voegt genietend toe aan ijle ruwheid
     Ik zie kalme heidemensen slempen in de delta
     Geoefende sociologische razernij doet mijn slingerende oor suizen
     En glijdend langs de mast verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van robuuste apen
     Waarin tranen robuust zijn als betijen in deltas
     Ik beaam waar hun betijende lied over zingt
     Was niet ieders blik ooit overspoeld door tranen?
     O wat is het bestaan buitenissig, inspirerend uitzinnig!


2.12
     De inspiratie bedeelt onevenredig, afscheidend, verbrijzelend de wrok
     Verwaaide schilfers wiegen genietend mee op stroeve melodieën
     Ik zie aloude woestijnmensen wortelen in de polder
     Verloren diëtistische moderniteit doet mijn ploeterende motor sputteren
     En tussen kade en schip verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van knoestige kevers
     Waarin wrok knoestig is als roeien in polders
     Ik beaam waar hun roeiende lied over zingt
     Was niet ieders oordeel ooit vooringenomen door wrok?
     O wat is het bestaan buitenissig, bedelend uitzinnig!


2.13
     Het deel bekoort evenredig, verwaaiend, belemmerend de activiteit
     Betoverend stuifmeel bereidt genietend voor op ongemerkte bestemmingen
     Ik zie behoedzame veldmensen branden in de savanne
     Hallucinogene astrologische innigheid doet mijn verrekte hartspier vibreren
     En bij het wakker worden verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van koesterende olifanten
     Waarin activiteit koesterend is als kruien in savannen
     Ik beaam waar hun kruiende lied over zingt
     Was niet ieders bodem ooit vergiftigd door activiteit?
     O wat is het bestaan buitenissig, bekoorlijk uitzinnig!


2.14
     De bekoring bedwelmt verticaal, betoverend, temperend de haat
     Verwelkomende stampers torenen genietend uit boven magische concentraties
     Ik zie stijve oasemensen snakken in het dal
     Broze therapeutische ritmes doen de nerfloze bladeren schrikken
     En binnen naast de deurpost verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van solitaire vossen
     Waarin haat solitair is als loeien in dalen
     Ik beaam waar hun loeiende lied over zingt
     Was niet ieders keel ooit dichtgesnoerd door haat?
     O wat is het bestaan buitenissig, bedwelmend uitzinnig!


2.15
     De bedwelming smaakt zoet, verwelkomend, vermorzelend de angst
     Berichtende lasten houden genietend tred met onverwoestbare gewichten
     Ik hoor haastige moerasmensen stotteren in de grot
     Rijpe politieke beklijving doet de kleine ster stralen
     En volmaakter dan werd verwacht verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van kale kippen
     Waarin angst kaal is als vloeien in grotten
     Ik beaam waar hun vloeiende lied over zingt
     Was niet ieders speeksel ooit plakkerig door angst?
     O wat is het bestaan buitenissig, smakelijk uitzinnig!


2.16
     De smaak harmonieert breed, berichtend, richtend de toekomst
     Verbrokkelende verlichting sijpelt genietend door in onleesbare dokumenten
     Ik zie bescheiden veenmensen vergroten in de grootstad
     Renderende paranormale hoogte doet mijn beringde wijsvinger beven
     En voor de zestiende keer verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van krakende bijen
     Waarin toekomst krakend is als graaien in grootsteden
     Ik beaam waar hun graaiende lied over zingt
     Was niet ieders verleden ooit misvormd door toekomst?
     O wat is het bestaan buitenissig, harmoniërend uitzinnig!


2.17
     De harmonie verbindt sterk, verbrokkelend, parfumerend de urine
     Opgeloste kennis slaat genietend om in reflecterende metaforen
     Ik hoor koele terpmensen brullen aan de kust
     Vruchtbare psychologische hitte doet het fluwelen oppervlak huiveren
     En voorafgegaan door hevige dorst verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van gespleten kikkers
     Waarin urine gespleten is als looien aan kusten
     Ik beaam waar hun looiende lied over zingt
     Was niet ieders bed ooit bevlekt met urine?
     O wat is het bestaan buitenissig, verbindend uitzinnig!


2.18
     Het verbond ontdooit achterwaarts, oplossend, verhelderend de duisternis
     Ontvangende troost werkt genietend samen met schommelende ontwikkelingen
     Ik zie vrolijke bosmensen vervellen op de helling
     Zwevende meteorologische getergdheid doet mijn hijgende enthousiasme struikelen
     En op de geoogste akker verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van passieve wormen
     Waarin duisternis passief is als gloeien op hellingen
     Ik beaam waar hun gloeiende lied over zingt
     Was niet ieders woning ooit verstikkend door duisternis?
     O wat is het bestaan buitenissig, ontdooiend uitzinnig!


2.19
     De dooi voedt liefde, ontvangend, opslorpend de argwaan
     Omhullende dauw trekt genietend op in microscopische betekenissen
     Ik zie zuivere prairiemensen zoenen op de rivieroever
     Broeierige esoterische sluiperigheid doet de koude gasbel sissen
     En hangend aan een ballon verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van witte beren
     Waarin argwaan wit is als vrijen op rivieroevers
     Ik beaam waar hun vrijende lied over zingt
     Werd niet ieders geliefde ooit benadeeld door argwaan?
     O wat is het bestaan buitenissig, voedend uitzinnig!


2.20
     Het voedsel verrukt liefhebbers, omhullend, creërend de poep
     Onthullende geboortes verzetten genietend bergen in herkenbare perspectieven
     Ik zie tevreden terrasmensen vlijen op de heide
     Verwenste artistieke verlokkingen doen mijn zwoegende klier zwellen
     En vlak achter de elleboog verschijnt het teken
     Nu versta ik de taal van overwoekerde kameleons
     Waarin poep overwoekerd is als aaien op heides
     Ik beaam waar hun aaiende lied over zingt
     Was niet ieders moeder na baring ook uitgepoept?
     O wat is het bestaan buitenissig, verrukkelijk uitzinnig!


>>   naar   b a l  l a d e  3



© mc 1995-2014




terug naar BALLADE-13

terug naar 1n (inhoud)






Geen opmerkingen:

Een reactie posten