maandag 4 augustus 2014

een villa in havana, ja een villa in havana

1
Ze zijn bezig mijn huis te verlaten, ik ben bezig de kledingkasten op orde te brengen.
Bij de deur wachten ze op mijn groet en nadat ik geknikt heb gaan ze naar buiten.

Nadat ze eenmaal vertrokken zijn verlies ik binnen enkele minuten alle belangstelling voor wat ik aan het doen ben;
ik sta doelloos, loop deze kant die kant op, ga in mijn stoel zitten, sta weer, pak een likeurtje, steek een sigaret op en ga weer zitten.


2
De lampen op de patio branden en de blauwgroene gloed verlicht de kamer.
Ik zit in mijn stoel; de lege likeurfles op de vloer, veel peuken in de asbak op de bijzettafel.
De deur naar de patio staat open en de opzijgeschoven gordijnen bewegen in de avondwind.


3
Ik lig met wijdopen ogen in bed, ik hoor geluiden.
Ik interpreteer de geluiden en het worden images.

De images zijn eerst vaag: de contour van een mens, de contour van een pistool.
Een schot,

en het image is helder: een muskuseend, die dodelijk door een kogel getroffen wordt.
Bloed.

Ik schiet kokhalzend overeind, daarmee de images uitbannend.

Ik strompel naar de badkamer ―
ik probeer het braaksel binnen te houden, buig over het bidet en geef over tot ik leeg ben.

Ik kijk in de spiegel.


4
Ik ben lang niet in mijn studio geweest, ik moet weer aan de ruimte wennen.
Ik schuif de gordijnen opzij, open de patiodeuren, zet theewater op, wacht tot het kookt.

Ik bekijk de vele werkstukken die – in verschillende stadia van voltooiing – kriskras over de vloer verspreid staan.
Ik stop bij een eenpersoonsbed gemaakt van rozegeverfd hout, met daarop een geslachtloze lichaamsvorm gemaakt van doorschijnend glas.
Nadat ik de lichaamsvorm verwijderd heb, verf ik het bed lichtblauw.

Terwijl ik van een afstand het resultaat van mijn werk beoordeel, rook ik een sigaret.


5
Ik ben bezig kleren aan te trekken. 
Ik probeer de ene creatie na de andere, al mijn handelingen in samenspraak met de spiegel; 
net of zij iemand anders is, inspecteer en corrigeer ik de gestalte die gereflecteerd wordt. 
Wanneer ik een combinatie aanheb waarvan ik denk dit kan, is mijn haar aan de beurt. 
Omdat geen enkele inspiratie een passende coiffure oplevert, wikkel ik een tulband om mijn hoofd. 
Maar deze vloekt zo radicaal met de rest van mijn verschijning, dat de kleren weer uitgaan en ik de make-up weer van mijn gezicht. 
Uit de hopen die nu op de grond liggen pak ik de kledingstukken die zich het makkelijkst laten pakken, trek deze aan en ben tevreden.
Nog even snel de mascara op mijn oogharen, en klaar.

In de galerie word ik overspoeld door mensen die elkaar groeten – omhelzend en kussend en handenschuddend – 
waarna ze onwennig met elkaar blijven staan praten en lachen.
Ik word door niemand benaderd, maar wanneer ik iemand aanspreek krijg ik een enthousiaste reactie.
En er wordt door geen groepje vanzelf een opening vaar mij gemaakt, maar wanneer ik mij aansluit word ik daarna vastgehouden.

De drukte negerend kijk ik hoe de schilderijen hangen.
Wanneer ik eindelijk kans zie de maakster te begroeten, wordt diens aandacht direct daarna opgeëist door een luidruchtig stel.
Ik knik het geeft niet en duik weer in het gewoel.
Ik bots tegen steeds meer mensen op die ik niet ken.
En kwa kleding val ik zó uit de toon dat ik vertrek, na nog een blik met de kunstenares uitgewisseld te hebben.

Weer thuis doe ik alle lichten in het woongedeelte aan, 
loop door naar de studio, schop al lopende mijn schoenen uit en wikkel al lopende de tulband af, doe alle lichten in de studio aan, schakel de radio aan, 
loop terug naar het woongedeelte, pak al lopende de tulband en de schoenen van de vloer, berg ze met alle nog rondslingerende kledingstukken op.

Ik schenk mijn glas vol, sta weer, loop weer naar de studio, schakel de radio uit, pak het blauwgeverfde bed op en sla het aan gruzelementen.


6
Ik maak de studio schoon; sorteer en stof en dweil tot alles op orde is.
Ik ga op de divan zitten, blijf theedrinkend en sigarettenrokend zitten tot het bijna ochtend is.
Ik sluit de patiodeuren, was de theekop en de asbak, doe de lichten uit en ga naar bed.

Ik lig met wijdopen ogen, de armen strak op de dekens, zodat het lijkt alsof ik in een dwangbuis lig.
Ik adem diep in.
Ik tel met geluid een twee drie vier vijf . . . zover ik met een uitademing kom.
Ik herhaal dit en herhaal dit, totdat ik mijn lichaam niet langer in bedwang houd; het wringt zich los, schokkend.
En nadat het schokken weer afneemt en ik geleidelijk aan weer stil lig, sluit ik uitgeput mijn ogen.


7
Tijdschriften liggen open dicht over mijn bed uitgespreid.
Ik lig lekker half rechtop in de kussens, een brandende sigaret in de asbak.
Ik drink een kop warme thee.
Ik leg de tijdschriften op twee slordige stapels en de deurbel klingelt.
Ik pak het horloge van het nachtkastje en kijk hoe laat het is.
Het staat stil.
Geërgerd leg ik het terug, sta op, trek mijn peignoir aan.
En de bel klingelt weer.

In de badkamer kijk ik in de spiegel.
Voordat ik de handdouche pak haal ik mijn handen door mijn haar.
Het natte haar achteroverkammend loop ik naar de voordeur.

De fotografe en ik zijn ouwe getrouwen en getweeën in de studio is een enkel gebaar voldoende om de werksessie vloeidend te laten verlopen.
Samen hebben wij het ontwerp gemaakt van de foto die wij aan het uitvoeren zijn:
een achterdoek waarop een repeterend patroon van identieke glazen flessen
met in iedere fles een foetus op sterk water ―
ik zit er op een simpele houten stoel voor
gekleed in een wedstrijdzwempak waarvan het kruisje in brand staat

Nadat het achterdoek hangt, concentreert de fotografe zich op het plaatsen van de lampen en het instellen van de camera's.
Ik trek het zwempak aan, zet een emmer bij de set, ga zitten ―
om alle keren dat er door de zoeker van een camera gekeken wordt of het gewenste resultaat al bereikt is in de juiste spreidzit te schieten ―
en om verder ontspannen te wachten tot de echte actie zal beginnen

Wanneer het zover is ontsteek ik het geprepareerde kruisje en neem, de lucifers weggooiend, mijn pose in.
Terwijl de fotografe de camera's doet klikken en met de emmer water het vuur weer blust.


8
In het meest besproken restaurant van het seizoen staat een tafel gedekt voor veertien.
De plaatsen zijn ingenomen, de eerste kwinkslagen gepareerd.
Om de gelegenheid gepast luister bij te zetten draagt men de laatste aanschaf.
Ik zit opgeprikt, zwijgzaam.

Tussen de verschillende gangen wisselt men van plaats, om steeds nieuw minigezelschapje te vormen.
Men amuseert zich, bij vlagen luidruchtig.
Ik echter blijf zitten waar ik zit, rook sigaretten en richt de aandacht uiteindelijk enkel nog op mijn bord;
de tafelgenoten zijn als een geluidsgolf en de bediening is als een machine die het ene na het andere gerecht op tafel deponeert.
Ik drink niet.

Door niemand opgemerkt sta ik na het dessert op en ga naar de garderobe, trek mijn jas aan en verlaat het restaurant.


9
Het is al een eind in de nacht, ik zit in mijn stoel, ik blijf nog lang zitten.

Ik neem een melkbad, te heet bij het instappen, te koud bij het uitstappen.

Ik kijk in de spiegel, ik kijk naar het gezicht en ik zing een zwaar lied met een stem die ik leen van mijn favoriete zangeres

Adelaar zwart – Jij trotse adelaar zwart
Waar vlieg jij heen – Zo ver van hier?
Jij cirkelt gestaag – Maar ach jouw vleugels zijn traag
Jij lijkt versteend – Maar staat in brand

Zwarte adelaar – Rakelings scheer jij

Beklemmend nauwkeurig – Paraat maar voor wie?
Tranen vergeet jij – Beheerste dragonder
Ik weet bros is jouw liefde – Strijk neer op mijn knie

Morgen de zomer – Jouw troeven zijn gunstig

Morgen de zomer – Jij huivert benauwd
Jij laat je niet vangen – In luchtdichte ruimtes
Spiegels voor mij – Zijn tralies voor jou

Zwarte adelaar – Rakelings scheer jij

Langs puntige rotsen – Maar ik weet hoe
De grillige vormen – Van verraad aan gisteren
Jou sturen en richten – Ver weg naar mij toe


10
Ik zit op de rand van mijn bed.
Waar de gordijnen niet helemaal dicht zijn komt een felle strook daglicht naar binnen.
Ik heb lang en diep geslapen en aan het bed is te zien dat ik ook onrustig geslapen heb.
Mijn voeten vinden de slippers en ik sta.

Ik zet thee, neem een kop mee terug naar de slaapkamer, schud de kussens op, stap weer in bed, probeer de lekkere ligzit maar zak al snel onderuit.
Ik draai mij om en slaap.

Het geluid van de telefoon dringt door tot de slaapkamer.
Ik blijf stil liggen.
Het rinkelen stopt.
En het begint weer.
Ik knip het licht aan.
En het stopt weer.
Ik schud de kussens op, drink de koude thee, knip het licht uit en slaap.


11
Ik lig op mijn bed en ik kijk naar het plafond.
Ik sta op en trek een dikke ruime trui aan.
Ik loop naar de studio, pak de filmprojector, vind de spoel die ik zoek en leg de film in.
Ik pak een sigaret, doe het licht uit, start de film, steek de sigaret aan en kijk naar de film.
Op de film

Zit ik op het roze eenpersoonsbed in een kring van potten gevuld met aarde.
In iedere pot op éen na groeit een bloem.
In de pot waarin geen bloem groeit staat een bijl.
Ik sta op van het bed en loop naar de pot met de bijl en net of ik ze niet zie stoot ik hierbij meerdere potten met bloem om.
Zodra deze omvallen verdwijnen de potten en verdwijnen de bloemen.
En de aarde stroomt en breidt zich als een olievlek over de vloer uit.
Weer reageer ik niet.
Net of de aarde niet alles bedekt zo ver het oog reikt en ik er niet tot mijn knieën in sta;
ik sta tot en met mijn knieën in de aarde met een bijl in mijn hand
net of ik de aarde niet zie en 
net alsof het de allernormaalste zaak is om met een bijl in mijn hand te staan

Nu wordt de lucht helder blauw.

Ik kijk naar de verblindende zon en ik scherm mijn ogen af met mijn handen.
De bijl is verdwenen en ik sta naakt in een bloeiend korenveld.
Ik loop achteruit en op de plaats waar ik zoëven nog stond staat nu een iele man eveneens naakt.
Ik ga, gekleed in een elegante jurk, op een troonachtige stoel zitten en kijk naar de man.
Kleding verschijnt aan zijn lichaam en hij transformeert naar een patserige en tegelijk ook een soepele en spierige aanwezigheid.
Hij keert zich om, taxeert wat hij ziet en een goedkeuring volgt.
Hij komt op de stoel toegelopen, waarin nu een vrouwenlichaam van doorschijnend glas zit.

Hij haakt zijn arm in de lichaamsvorm en deze laat zich meevoeren.

Samen lopen ze door de verlaten straat.
Het is nacht.
De havenstad slaapt.
Ze lopen dicht tegen de huizen aan, enigszins wegduikend voor de regen.
En omdat het café nog open blijkt verdwijnen ze door de deur.

Het ben ik alleen die de nachtkroeg binnenkomt.

In het voorgedeelte zitten en staan enkel mannen, sommige in travestie.
Er wordt niet op mijn binnenkomst gereageerd.
Mijn blik tast de ruimte af en blijft rusten op twee oudere nachtvlinders die op een kleine dansvloer met overgave een tango dansen,
de een met verve de mannenrol op zich nemend en de ander met overtuiging de vrouwenrol invullend.
Ik beweeg richting bar, maar nog voor ik deze bereikt heb valt mijn oog op de deuropening.
Ik verander van richting en verdwijn in de donkerte van de achtergelegen hal.

Ook hier is het druk, met vrouwen zowel als mannen.

De hal blijkt groot en over heel wat hoofden heenkijkend zie ik het helverlichte podium, dat als een boksring verhoogd is.
Op het podium staan een naakte man en een naakte vrouw.
De man heeft het lichaam van de vrouw tot bloedens toe gestoken met een mes 
en de vrouw heeft het hoofd van de man tot bloedens toe bewerkt met de botte kant van de bijl.
Nu hangen ze daas in elkaars armen, ieder nog steeds proberend de ander fataal te raken.
Ik breng mijn hand naar mijn mond, alsof ik een braakneiging die ik op voel komen wil bezweren.
Maar als ik de hand weer van mijn mond haal, blijkt er een ineengedoken muskuseendje op de palm te zitten.

In het laboratorium zit de inmiddels volwassen muskuseend op een groene operatietafel.

Ik draag een witte jas en operatiehandschoenen en ik doe de lichten boven de tafel aan.
Ik neem afstand en bekijk de muskuseend, de muskuseend bekijkt mij.
Ik doe nog een stap naar achteren en de muskuseend richt zich op.

De operatietafel blijkt een glooiende heuvel waarop mals gras groeit en de muskuseend ontpopt zich als een geslachtloze bleekvlezige figuur.

De figuur ontdoet zich geconcentreerd van een bleekvlezig vel en een tweede bleekvlezige vel wordt zichtbaar.
Onder aan de schaamheuvel heeft het tweede bleekvlezige vel twee knikkerachtige verdikkingen.
De figuur geeft met een scherp gevijlde vingernagel een kras in ieder van de verdikkingen en stroperig geel vocht druppelt langs de benen naar beneden.


12
Ik zit min of meer versteend op het patiobankje.
De dikke ruime trui, mijn slippers en een tanga op de grond, een volle fles melk binnen handbereik.
Ik pak de fles en drink deze in éen teug half leeg.
En ik zit weer min of meer versteend.

Ik sta op, trek de trui en tanga aan en loop de studio in, trek een lade open, haal een doosje munitie tevoorschijn 
en ga, nadat ik de inhoud van het doosje geïnspecteerd heb, weer naar buiten.
Ik pak de buks van het rek, ga met de buks en het doosje munitie weer op het bankje zitten en leg de buks, nadat ik hem geladen heb, op mijn knie.
Ik richt de buks op éen van de gipsen muskuseenden, die in een groepje van acht in een uithoek van de patio op een sokkel in het licht van een felle spot staan
en met de buks in de aanslag zeg ik zo ― ik haal de trekker over, raak de eend en de eend spat uit elkaar.
Terwijl ik de buks op de tweede eend gericht hou zeg ik chaos.
Bij de derde eend het wachtwoord is wachten.
Bij de vierde eend wachten op geduld.
Bij de vijfde eend om te kunnen wachten.
Bij de zesde eend op de plaats rust.
Bij de zevende eend onrustig.
En bij de laatste eend om tot rust te komen.
Ik leg de buks op het bankje, sta op, loop een paar rondjes, pak de fles met het restant melk en deze meenemend ga ik weer naar binnen.


13
Ik zit in mijn stoel, een geluidrecorder op de bijzettafel.
De lampen op de patio branden en de violette gloed verlicht de kamer.
Ik gesp de microfoon op mijn trui, schakel de recorder op opname en na een lange zwijgpauze schakel ik de recorder uit.
Ik schakel het apparaat weer op opname en na een lange zwijgpauze zeg ik 
ik had de telefoon in mijn hand
om jou te bellen dat ik naar jou toe kwam
maar ik toetste het nummer van de taxi 
en ging naar huis





© mc 1987-2014





terug naar 1n (inhoud)





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen