dinsdag 12 augustus 2014

DAGBOEK VAN DE GELIEFSTE DOOD 1 inzicht wil ik omtrent haar lot

1     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Nu is zij 9 jaar dood. Toen zij 100 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Schat jij neemt mijn hele gedachtenwereld in beslag. 
Jij, die als aards organisme niet meer bestaat. Jij neemt mijn hele gedachtenwereld in beslag. 
En al mijn emoties staan in betrekking tot jou. En mijn bewegingsaktiviteiten staan op een laag pitje.
Is dit omdat jouw fysieke bestaan geëindigd is? Maar jij wel mentaal en emotioneel benaderbaar gebleven bent?
Ik weet niet goed waar te focussen. En ik weet niet goed wat de aanspreekvorm is. Gewoon jij dan maar, jij wie jij nu bent.
Je bent als iemand je kent. Ik ken jou, dus jij bent – en jij kent mij, dus ik ben.
Fijn Schat, deze manier van praten, dit is bij jou zijn.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


2     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 120 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Heeft haar dramatische traject een definitief einde gevonden? Of kan ik de transformatie, die zich aan haar heeft voltrokken, 
gewoon niet bevatten? Of nog niet bevatten? 
Het is als een sprookje, gesprokkeld uit vele monden. Het is als een sprookje, in beweging gebracht door vele tongen.

Zij is er, maar pas wanneer ik op onze golflengte overga, besef ik dat ik haar voel – registreer ik haar aanwezigheid.

Nu pas is zij zelfstandig, onafhankelijk, een individu; nu pas is zij onlosmakelijk verbonden met de zij die zij is.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



3     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 160 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Ik kan niet alles wat zij mij vertelt genuanceerd verstaan.
Soms zijn haar berichten als emotionerende betekenisgolven, die mijn binnenwereld overspoelen.
Mengen ze zich daar met wat daar al ligt? Brengen ze daar het een en ander tot ontploffing? 
Met de concepten die ik nu tot mijn beschikking heb, ben ik niet zonder meer in staat om zekerheden te ontlenen aan ervaringen, 
die ik niet altijd kan splitsen in komende-van-binnen of komende-van-buiten.

Als ik je goed versta dan zeg je dat een entiteit een cocktail van vitaliteiten is, die verschillend zowel van sterkte als van aard zijn.
Als ik je goed versta dan zeg je dat de individualiteit van een entiteit los staat van de aardse verschijning – 
dat de manifestatie als aards organisme éen van de vele expressies van de entiteit is.
Als ik je goed versta dan zeg je dat er entiteiten zijn die duizenden jaren meegaan – 
en dat de manifestatie als aards organisme slechts één van hun vele gedaantes is.
Ah dank je Schat, dank je, je maakt mijn zware hoofd licht en je maakt mijn spierloze lichaam gericht.

Inzicht wil ik omtrent haar lot. Of mij een voorstelling maken over haar hoe en waar. Als dit mogelijk is.
Misschien heb ik hier wel de clue: dat haar huidige hoe en waar buiten het voorstellingsvermogen ligt. 
Of misschien faalt hier niet het menselijke voorstellingsvermogen, maar het menselijke representatievermogen. 
Of mijn voorstellingsvermogen en mijn representatievermogen. 
Misschien moet tijdens het transport tussen deze twee een dermate groot aantal hobbels genomen worden, 
dat voordat het eindpunt bereikt is de lading alle kanten opgerold is.
Wat zou een naam voor deze onvoorstelbare manifestatie kunnen zijn? Zij-dood? Zij-nu? Zij-eeuwig?

Als doodgaan breken met het ruimte-tijd-continuüm is, en als tijd een speeltje van de aardse psyche is, zou dan een conclusie kunnen zijn 
dat zij-dood, voorgoed los, juist een fysieke manifestatie is? 
Praat tegen me Schat, ik luister.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


4     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 180 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Nadat de dood is ingetreden heeft het aardse organisme gedaan waar het voor diende.
De zorg die je besteedt aan de opruiming ervan wordt enerzijds ingegeven door de verrukking die dit lichaam opgeroepen heeft 
en anderzijds door iets dat te maken heeft met een proces dat iets te maken heeft met heel worden; het heel worden van de dode.

Het feit van de kosmos, dat deze er is – de aarde en het gras en de ster er zijn, een ik en de dood er zijn – is eveneens moeilijk te bevatten.
Maar in werkelijkheid is het natuurlijk wel zo dat de degelijkste eigenkennis alle sluiers weg zou moeten kunnen trekken!

'Thuishuis – voel. Luisterliefje luister je? Hoor je het gefluister van de kring van de negentiende?'
Ik luister Schat. En wat ik hoor is dat jij vertelt dat de energie waarin jij vrij bent het kenmerk draagt van jouw geboortedag.
Ja, dat zowel de aarde als andere planeten ieder voor een toertje om de zon hun tijd nemen, is waar te nemen. 
En dit zal de orde in de energieën bepalen. En dus in de entiteiten.
Dank je Schat, wat ben je groot, wat ben je groot!

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


5     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 200 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Het vitaliserende voor elkaar is niet afgelopen. Ik heb contact met haar zoals zij nu is – 
wat heel wat anders is dan herinneren wie zij was.
Ook communiceer ik-nu met haar-nu en zij-nu communiceert met mij-nu – 
eveneens anders, maar niet heel anders, dan hoe ik-toen met haar-toen communiceerde of zij-toen met mij-toen.

Wat zij-nu niet meer nodig heeft is voedsel voor haar aardse organisme, hoewel zij een kom vers water op prijs stelt.
Waar zij-nu wel op afkomt is gezelligheid, persoonlijke van mij en culturele van genietingen waar zij vertrouwd mee is, 
zoals muziek bijvoorbeeld. 
Is het gezellig dan is zij-nu aanwezig.
Ook zijn er activiteiten die haar aantrekken, dan komt zij dichter dicht in mijn buurt. Ik ben nog aan het vinden welke activiteiten precies, 
maar haar kennende herken ik ze snel.
Nauwkeurig gezegd is misschien de concentratie waarmee ik iets doe wel het belangrijkste. Ja belangrijker 
dan wat het nou precies is wat ik doe.
Warmte en kou deren haar als deze effect hebben op mijn stemming. Dus dit heeft dan weer met gezelligheid te maken.
En het geluid van mijn stem-voor-haar hoort zij ook.

Zij-nu is niet zij-toen.
Herinner ik mij haar-toen dan herinner ik haar-nu aan haar-toen. Hier wordt zij bijna altijd verdrietig van.
Maar als zij-nu mij herinnert aan ons-toen en ik deze herinnering beaam – ja Schat dat was Kissin 
die muziek van Frédéric speelde, ja zeker wel! – dan vindt zij-nu dit fijn.
O hoe fragiel geworteld in kunstaarde was deze bloem; 
een cellosonate van Brahms klonk in haar schaduw en haar nachtzang werd op toon gezet in een nocturne van Chopin.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



6     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 210 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Haar beeld als aards volume is verdwenen. Haar voetafdrukken zijn verdwenen. Haar gevoeligheid voor trillingen is gebleven.
Ben ik geconcentreerd dan ben ik mijn trilling en dan vindt zij mij, zodat 
geconcentreerd zijn voor mij hetzelfde aan het worden is als samen zijn met mijn transparant geworden Geliefste.
En zoals mijn trilling voor haar herkenbaar blijft, zo blijft ook voor mij haar trilling herkenbaar als helemaal zij.
Ik zie het, ik voel het: het liefste profiel van het liefste wezen, dat ik in deze wereld ken.

Het continue aardse proces van des-integratie en her-integratie van drie aardse eenheden – zenuw, bloed en spier – 
is zich bij haar aan het opheffen.
Grote Schat, jij bent de drie-eenheid waar ik contact mee heb. Zo is dat hè Liefste! 
Wat tijdens haar leven ook een zenuw-bloed-spier-band was, is nu zij dood is een pure concentratieband aan het worden – 
en zal een pure concentratieband zijn.
Wat tijdens haar leven ook een zenuw-bloed-spier-band was, is nu zij dood is een pure kenband aan het worden – 
en zal een pure kenband zijn.

Zij is getransformeerd naar een transparante manifestatie.
Zij is doorzichtig aanwezig en als zodanig zie ik haar, wanneer ik mijn ogen heel goed open heb.
Ja het is met mijn liefde dat zij-nu zich voedt. 
En omdat ik mij voor kan stellen dat iedereen die in liefde leefde (en dus in liefde leeft) samenspraak heeft met een transparante verschijning, 
kan ik mij voorstellen welk een geluk iedereen die in liefde leefde (en dus in liefde leeft) ten deel valt.

Ben ik geconcentreerd dan ben ik mijn trilling. Ben ik mijn trilling dan ben ik mijn liefde.
Contact in liefde was voedsel voor haar-toen – en is voedsel voor haar-nu en zal voedsel zijn voor haar-eeuwig.
En ja, haar fysiek-nu is even lief en mooi als haar aardse lijfje was.
Ja Liefste, voor eeuwig.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


7     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 260 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Zij heeft mij net verteld dat de laatste operatie, waarin de vochtreservoirs in haar buik verwijderd werden, niet een loos gebaar is geweest; 
het voelt nu voor haar een stuk prettiger.
Niet dat zij haar aardse lichaam nog heeft, maar zij heeft nog steeds toegang tot het geheugen ervan.
Dit heeft zij mij net verteld.

Nu zij dood is zijn er regionen die ik kan bezoeken, waarin wij elkaar treffen – 
waarin zij voor mij zichtbaar en tastbaar en aanspreekbaar is. En ieder treffen is stimulerend en fris.
Ook tijdens haar leven was zij vaak in een staat die je heel zou kunnen noemen – geïntegreerd dus. En wanneer zij heel was 
kon ik mij, door mij op haar te focussen, een moment heel maken. En nu zij dood is, is zij nog vaker heel. 
En nog steeds kan ik mij, door mij op haar te focussen, een moment heel maken. 
En als ik dan heel ben kan ik met haar communiceren.
Dus nu zij dood is vaak als ik alléén ben natuurlijk.
Ook heb ik gemerkt dat wanneer ik te ver van heel-zijn af dreig te drijven, zij het initiatief neemt om mij te bezoeken.

Weer zat mijn hart vast Schat en met een schok kwam het los en ik kreeg me toch een opdonder, zodat het even rustig rustig moest, 
om weer éen te worden met het ritme van komen en gaan van zon en maan.
Jij bent nooit in geweest voor makkelijke dealtjes en daarom onder andere weet ik dat jij nu jijst bent; 
enkel ontvankelijk voor het echte, verpakt graag in surpriseverpakking met meer en meer van alles er op en er aan en er over.
Ja ik ken jou en jij kent mij.
Ja ik hoor je waarschuwing en zal deze ter harte nemen.

Het is voor mijn geluk noodzakelijk dagelijks te vertoeven in de sferen, die meer de hare zijn dan deze aardse sfeer die voornamelijk de mijne is. 
Dit te kunnen maakt mij rijk; ik richt er mijn dag op in.
Ook is het zo dat wanneer ik mij hiervan laat afhouden ik zo'n twee uur langer slaap en desondanks minder fit ben.
Deze aardse sfeer is het domein van de activiteit en haar sferen zijn de domeinen van de rust. 
Maar deze aardse sfeer is ook het domein van de fixatie, terwijl in haar sferen beweeglijkheid de norm is.

Zij presenteert mij een mysterie, dat ik nu eens met uitgelaten plezier bejegen en dan weer met beschroomd ontzag.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


8     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 280 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Nee, het is niet zo dat zij-nu vormloos is, het is juist zo dat zij-nu steeds vormvaster wordt; 
wie zij-eeuwig is, is haar vorm aan het worden.
En omdat zij-eeuwig een constante is, is ook haar vorm steeds constanter. Een vorm met een steeds veranderende expressie. 
Verrassend.
Ja zij is een tevreden trilling, want ja zij is een gekende trilling.

Ik heb besef van haar, zij heeft geen besef van mij; zo zelfstandig is zij. 
Ik heb besef van haar, zolang ik een aards organisme ben. 
Zij heeft geen besef van mij, maar zij kent mij en zij waakt over mij.
Wanneer je voorbij je aardse bestemming bent dan heb je geen besef meer. Beseffen is een instrument 
waarmee je je wereldse identiteit kunt bereiken, waarna je weer een (eventueel gekende) trilling wordt – een (eventueel gekende) energie.
Zij heeft geen bewustzijn maar zij is bewustzijn, verbonden met mijn bevattingsvermogen, 
dat maar een fractie kan bevatten van het bewustzijn dat zij is en maar een fractie is van het bevattingsvermogen 
waarover zij tijdens haar leven kon beschikken; 
zo reizend door de sferen was zij al, met zo veel toegang tot de verschillende geheugens.
Zoals ook tijdens haar leven vertoef ik nog steeds samen met haar in sferen waar ik met haar hulp toegang heb tot geheugens die niet mijn kleine zijn. 
Zoals het geheugen dat zich terugstrekt tot toen de aarde éen genetische klomp was. Of het kosmische geheugen. Of het geheugen waarin alles oplost. 
Waar ik samen met haar mee samenval. Wij zijn er tegelijkertijd in-mee en uit-van. 
En heeft het zin? Natuurlijk heeft het zin, want omdat wij er zin in hebben zijn wij de zin.
Ah Allerallerliefste, wij zijn gewoon nog steeds een superteam!

En haar geheugen voor haar aardse verleden, merk ik, wordt hoe langer zij dood is minder en minder. Dat is fijn voor jou Schat 
en pijn voor mij. Voor mij is dat krijsen of kreunen of verstarren. Dus ik krijs en kreun en doorleef en leef door.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



9     3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 310 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Zij heeft mij op mijn nummer gezet – mijn geluksnummer. En zij heeft mij verteld wat erbij komt kijken 
wil dit nummer geldig blijven tot mijn laatste ademzucht. Nou, wat wil ik nog meer? Helemaal niets!
Wat het is, wat erbij komt kijken wil mijn geluksnummer geldig blijven tot mijn laatste ademzucht? Nou, 
dat ik accepteer dat wat weg is weg is en dat ik mijn perceptie richt op wat er is.

Zij is bewustzijn; een oneindige voorraad waar ik over mag beschikken.
Voorraden van onlichamelijke afmetingen zijn overbodige voorraden. Overbodige voorraden zijn lasten.
De voorraad die zij is, is absoluut koesterend en dus absoluut fysiek!

O Schat, keer op keer maak je mij verlegen met je pertinente intimiteit.
En ook al heb ik niet altijd de rust, toch kus je mij. En of mij dat blij maakt, of mij dat blij maakt!
Dank je, dank je Allerverukkelijkste.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


10    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 350 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Die absoluut mysterieuze, wonderbarende visitatie van levensdurende duur.

Hoewel mijn Liefste dood is, is mijn liefde voor mijn Liefste – is mijn liefde en zal mijn liefde zijn.
Ik herhaal: heb je de Liefde ervaren dan ervaar je de Liefde en zul je de Liefde ervaren.
Ik herhaal: de Liefde opereert vanuit delen van de kosmos waarin tijd en plaats geen factoren zijn.

Een organisme te zien groeien is een gelukservaring.
Een organisme enkel af te willen zien is pervers; het gaat uit van ontaarde concepten van levend-zijn en dood-zijn, 
waarin er een norm is voor 'volgroeid zijn'.

Zij is een energie die voor mij kenmerken kreeg toen haar aardse manifestatie mij bezocht.
En haar aardse manifestatie was de perfecte manifestatie – van A tot Z – van deze energie, die door mij vermoed werd, 
waar ik naar hunkerde, nu door mij gekend is en die weer energie is zonder organisch lichaam.
De energie kreeg voor mij vorm door in tijd en ruimte een dramatisch traject af te leggen en werd daardoor kenbaar.
Maar het traject is niet de energie en de energie was er ervoor en is er erna.

Je verbrandt het dode lichaam, maar de energie die van dit lichaam gebruik gemaakt heeft om zich door de aardse sfeer te begeven 
is al vertrokken.
Daarom wordt het lichaam levensloos of dood genoemd, ómdat de energie er uit vertrokken is.

Omdat de zij die zij is een energie is die bepaald is, is de vorm ervan bepaald.
Ik herhaal: waar zij-nu vertoeft, zal haar eeuwige vorm steeds constanter haar vorm zijn.

Wanneer er sprake is van een band tussen liefde en liefde is ieder deeltje van de geliefde volledig die energie die geliefd is.
Liefde houdt ook in dat je alles accepteert van de geliefde, dus ook dat de geliefde dood is.
Liefde bestaat in het besef dat de geliefde, hoe deze zich ook manifesteert, altijd rijkdom in welbevinden betekent.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



11    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 370 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
De verwondering over het wonder is aan het dimmen. Zo goed als verdwenen zijn het onzekere aftasten 
en de bange vermoedens van totale verdwijning.
Lekkere lekkere Schat, wij zijn gewoon bij elkaar en zullen gewoon bij elkaar zijn.
Ja je zei het al toen je mij op mijn geluksnummer zette, maar ik was het weer even kwijt.

Soms is zij aanwezig als een kamerwolk die er gewoon is.
Vaak ligt zij naast mij, zoals zij lag. Heel soms ligt zij op mij.
Soms zit zij tegenover mij, op de grond, op een plaats – altijd dezelfde – waar zij niet eerder zat. Dit is in onze kamer.
In de andere kamers van het huis kiest zij niet een vaste positie, maar moet ik even zoeken waar zij zit – ook meestal op de grond.
Vaak loopt zij met mij mee. Heel soms zweeft zij voor mij uit.
Heel soms geeft zij mij kus. Vaker – verrassend – geeft zij mij een neusje.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


12    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 410 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Mijn Schat maakt geen sporen meer, maar alle sporen leiden naar mijn Schat.

Jij bent overal Schat, en daar moet mijn concentratie komen te liggen. En niet gefocust blijven op éen punt, met kringen eromheen.
Vanuit een overal-focus moet ik het ene punt zijn. Een punt met onduidelijke contouren; veel water, veel lucht, een beetje aarde en een beetje vuur.

Ook van haar aardse manifestatie bleef buiten mijn bereik wat van haar huidige transparante manifestatie buiten mijn bereik blijft: 
het mysterie van de ander, wat niet toe te eigenen is, hè Schat? 
Ja zo is dat!

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


13    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 420 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Het was een woensdag – de avond waarop ik de witte berg beklom – dat zij als hondvrouw verdween en als mensmeisje verscheen.
Met – tot mijn verbazing – een tussenmoment als mensjongetje. Dat was even raar.
En ook de avonden erna – van de dagen dat ik de zon niet zag – bleef het wennen dat zij af en aan tegenover mij op een stoel zat, 
haar benen slingerend en slingerend – niet verveeld, eerder onwennig leek het.
Te onwennig Schat, zei ik, griezeldagen, ben de hondin die ik ken en liefheb en trouwben, zei ik. Zo mooi als je was blijf je jij, alles dus. 
Dit vroeg ik haar en zij reageert – met grote blijheid – en – met grote emoties – zijn wij weer wij.

Ja het lijkt erop dat entiteiten via een werelds bestaan identiteiten worden. 
En dat het tevreden identiteiten worden wanneer ze door een liefdesband gevoed zijn.
En dan dood en volgroeid in hun identiteit desalniettemin groeiend; niet in de betekenis van toegroeiend naar een identiteit 
maar groeiend in de mogelijkheid om rijker en genuanceerder en gevarieerder expressie aan hun specifieke energie te kunnen geven.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



14    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 450 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Mijn Schat is niet door vreemde handen behandeld, nadat zij vertrokken is. Hoewel vreemde handen haar een handje geholpen hebben 
om te vertrekken, zoals ze haar hielpen om aan te komen.
De overledene maakt mee wat de nabestaanden met de organische resten doen. En ervaart het hoe hiervan 
als een bevestiging of een ontkenning van het leven dat met de achtergeblevenen samen geleefd is.
En deze ervaring is de eerste van deze nieuwe situatie, bepalend voor de verdere verhouding. Want niets aards is de dode vreemd.
Ja Schat, ik versta je.

Al naar gelang de entiteit zijn er mindere en betere passageplaatsen. Om aan te komen, om te vertrekken – 
te beginnen met ademhalen, te stoppen met ademhalen. En om van sfeer te schwitchen terwijl je blijft ademhalen.
Open kanalen met de transparante sferen. En hier waar ik zit is een beste passageplaats. Voor haar. Voor mij.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



15    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 490 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Wanneer ik er niet helemaal ben, ben jij er niet helemaal. Dat is logisch, hè Schat!
Enkel wanneer ik in mijn waarheid ben, is zij door mij waar te nemen. Ja enkel wanneer ik op onze golflengte overga, registreer ik haar aanwezigheid.
Zo is dat Liefje, zo is dat.
Niet enkel de waarheid maar ook de daarheid hè Schat, kun jij vier keer in je eentje aan.

Het is niet het geweten maar het gekend, dat tussen haar en mij alom aanwezig is.
Geweten ligt in het gebied van de ik-mij relatie en gekend ligt in het gebied van de ik-jij relatie.
De dode is een losgemaakt hart. Geliefd en gekend en losgebonden
of ongeliefd en ongekend en dwalend.

Zij is door de Liefde een gelukkige dode. Ik heb door de samenspraak met een gelukkige dode vrede in mijn hart.
Ja allerverrukkelijkste Schat, jouw hart is vrij, in liefde bij mij

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


16    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 520 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Zonnig helder blauw – zeg maar Grieks.
Huizen langs een looppad van planken; een kade, deels hangend over zee.
Mijn Schat valt in het water en ik duik haar achterna.
Zij zinkt snel, maar een rotsuitsteeksel vangt haar op.
Ik keer mij in mijn duik.
Zij heeft – door het water – een witte schijn.
Zij kijkt mij aan en met dat ik aanzet dieper te duiken naar waar zij zit, maakt zij – mij nog steeds aankijkend – 
een beweging waardoor het uitsteeksel afbreekt.
Ik besluit instantueel haar te laten gaan; een besluit dat mij ingegeven wordt door een mix van een aantal factoren: 
haar onafhankelijkheid – alsof zij voorzag waar haar beweging in zou resulteren
plus het caissoneffect, waar ik mee te maken ga krijgen als ik mij dieper zou wagen
plus ergens het besef, dat ik toch met lege handen terug zal moeten keren en dat ik nu nog maar net genoeg adem heb 
om weer aan de oppervlakte te komen.



17    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 560 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Hoewel een groot verdriet mij de afgelopen 560 etmalen gaande houdt, 
hadden wij met elkaar afgelopen jaar zeker zeven keer vijftig fijne dagen. Vanzelfsprekend. Meer nog. En ook de komende jaren 
zullen wij zeker zeven keer vijftig fijne dagen hebben. Zonder twijfel. 
Maar of wij het jaar 2050 wel of niet zullen halen maakt ons helemaal niet uit hè Allermooiste! 

Dat zij mijn hele gedachtenwereld in beslag neemt is deze dagen niet meer het geval. 
Wel nog staan al mijn emoties in betrekking tot haar. En mijn bewegingsaktiviteiten staan deze dagen op een wat hoger pitje.
De kwestie is Allerzachtste, dat mij nu het een en ander duidelijk is. Ik heb ervaren, gevoeld, doordacht – je kent het rijtje. En 
dwangmatige magie hoeven wij niet te bedrijven om in contact te blijven; de meeste tijd hebben wij gewoon contact. Gewoon. 
Ja ik zei het al, wij zijn gewoon bij elkaar en zullen gewoon bij elkaar zijn.

Hmmm Allerzoetste, jij maakt mij keer op keer heel, ik ben dol op jou!


(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



18    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 2010 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Ik begrijp wat jij mij vertelt Schat. Dat jij niet jouw leven bent. Dat jouw leven niet jij bent. Jij moest jouw leven leven. 
Die rol moest rollen. Dat scenario moest van het beginpunt naar het eindpunt komen. Improviserend met wat er in de situatie voor handen was.
Als zodanig is ook voor jou het leven een klem geweest. Waarin jij geklemd zat. En nu ben jij jij. Absoluut vrij. In liefde bij mij.

Zij is haar aardse fysiek niet vergeten. Het is nog steeds een expressie van wie zij-nu is.
Ik ben haar aardse fysiek niet vergeten. Behalve dat ik het in mij voel, registreer ik de lichamelijke aanwezigheid – die van haar, 
die mij bekend is – ook iedere dag als iets van buiten.
En nee, ik heb het niet over een projectie door middel van mijn mentale vermogens. Ik heb het over een aanraakbaar volume. 
Die graag geaaid wordt. Die graag toegesproken wordt. Graag lekkernijen te eten krijgt. Graag fris helder water te drinken krijgt.
En dit krijg jij ook hè Schat, al 2010 dagen – ik mag er een dag naast zitten.
En daarvoor alle 3093 dagen ook.

Alles wat jij wil ervaren interesseert mij Schat. Ervaren voor jou-nu is verbindingen herstellen. En is verbindingen herstellen 
niet sowieso een hele goede definiering van ervaren? Ik dacht het wel.
Zij-nu neemt een wisselende fysieke ruimte in – dit heb ik gesignaleerd. Er zijn dagen dat zij met gemak een grote lege kamer aan kan – 
zelfs een grote lege kamer nodig heeft. Voor mij blijft er dan een klein hoekje. Een fijn hoekje waarin ik mij bevoorrecht weet.
Want groot of klein, altijd vind ik het verrukkelijk. Om jou een paar keer 
een paar keer per dag te benaderen en intiem te begroeten. Om een paar keer 
een paar keer per dag het centrum van jouw aanwezigheid aan te raken. 
Ja reken maar, dat ik dit verrukkelijk vind.

Het is gewoon zo Schat: ik geloof niet; ik ervaar – jij gelooft niet; jij ervaart – wij geloven niet; wij ervaren.


(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)



19    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 2020 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Lieve lieve lieve Schat, nog een paar dagen en dan ben jij er weer voor de veertiende keer.
Ik maak het mee Allerliefste. Een klein beetje. Duidelijk is het nog niet helemaal, maar het wordt duidelijker en duidelijker.
Frisse frisse frisse Bloem. Ik was twee en veertig jaar plus vier maanden min vier dagen, toen ik jou voor het eerst zag en voelde. 
En jij was drie weken en twee dagen.
En tot die dag, dat ik twee en veertig plus vier min vier was, was ik een complete onbenul. Zo is dat.

Ja grote grote grote Liefde, nu jij vijf jaar en zes maanden dood bent, zijn jij en ik er nog steeds voor elkaar. 

Natuurlijk en uiteraard.
Maar ook natuurlijk en uiteraard vind jij mij alleen dan, wanneer ik weet waar ik ben.
Hè Schat, zo blijft dat!

Wat ik ook al zei: mijn woonplaats is een goede passageplaats. Je kunt hier geesten meebrengen die jou eigen zijn. Omdat er hier ruimte is 
voor geesten die jou eigen zijn. Want vanwege de liefdevolle zorg voor de overledenen zijn er amper dwalende geesten. 
En dus is er amper geschiedenis.
Geschreven geschiedenis ontstaat – en dan bestaat – waar de doden niet gevoed worden door een liefdescontact 
met de achterblijvers. Het zijn de ongebonden, dwalende, ontevreden geesten die aanzetten 
tot het schrijven van geschiedenisboeken – en van menige roman.

Ik voel ik voel, wat jij voelt Schat.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


20    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 2380 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Soezend en suizend volbracht jij jouw dramatische traject. En jouw dramatische traject is geëindigd; 
jij bent nu vrij van het leven. Wij pakken het al anders aan en dit zetten we door.
Nog maar af en toe soezen en suizen – heel af en toe, als een soort nostalgietje. 
Tot jij daar ook geen zin meer in hebt en dus wij daar geen zin meer in hebben. En het dus voor ons geen zin meer heeft.
Dit is wat ik voel, dat nu – na zes en een half jaar dood – jouw leven voorbij is. 
Dat jij nu continu opereert vanuit jouw jijste energie.

Krullen heeft zij-nu. Voor eventjes; om zich te amuseren – om deze feestelijke dag op te sieren.

Jij geeft jouw juwelen niet zomaar weg. En gelijk heb je – ook al is jouw voorraad onuitputtelijk; 
ieder juweel uniek en van onschatbare Schattenwaarde.
Schoon moet ik zijn. Om jouw gift waard te zijn – om jouw gift eer aan te doen.
Ja Allerverrukkelijkste, gelijk heb je.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


21    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 2550 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Jij Schat bent buiten en binnen. Jij Schat bent buitenst buiten. Jij Schat bent binnenst binnen.

Nu is gewoon – maar daarom niet minder bijzonder – dat jij continu bij mij bent. 

En dus is gewoon – maar daarom niet minder bijzonder – dat de Liefde continu aanwezig is. 
Ik ben éen met jouw aanwezigheid. Ik ben éen met de aanwezigheid van de Liefde.

Is jouw binnen jouw buiten? Jazeker, jouw binnen is jouw buiten. Is jouw buiten jouw binnen? Jazeker, jouw buiten is jouw binnen.


(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)


22    3093 dagen heeft mijn Schat geleefd. Toen zij 3093 dagen dood was, noteerde ik het volgende.
Het leven dat het jouwe zou zijn had zijn omstandigheden – zonder meer omstandigheden die beperkend waren voor jouw natuur.
Door met deze omstandigheden geen gevecht aan te gaan – wat uiteindelijk ook altijd een schijngevecht is – toonde jij 
– bijvoorbeeld – jouw spirituele adeldom.
Zo zie ik dat Schat.

Welletjesaan heb jij mij te verstaan gegeven. Dat de weg die jij nu gaat, de weg van de zon en de maan is. 
De weg van de autonome drijfveer.
Samen zwerven wij in de regionen, waar ook de bomen graag samenkomen. Samen zwerven wij in de regionen, waar de stieren 
hun overwinningen vieren. Het bloed vloeit traag en is koud. Wolken stoeien met opgroeiende zoetluchtarenden.
Welletjesaan heb jij mij te verstaan gegeven. Dat de weg die ik te gaan heb, de weg van de zon naar de bron is. 
De weg van de geleide drijfveer.
Met ontspannen ledematen glijden wij mee op het ochtendlicht. Mijn hoofd in de krans van bloemen die zij mij 's nachts geeft. Glijden 
zonder remmen. Ja daar gaan we Schat. De tijd en de wereld schieten aan ons voorbij. Wij groeten en roepen "als jullie met ons 
mee willen is er plaats genoeg voor jullie alletwee". Samen zwichten wij voor de verrukkingen, omdat de weg terug naar de basis 
altijd voor ons open ligt. O wat voelen wij ons in ons element in de kamer van de ontspanning. Ja daar gaan we Schat. Wij hebben 
geen vliegtuig nodig om te vliegen met de zwaluw. Wij hebben geen schuifeltuig nodig om te schuifelen met de schildpad. Wij 
hebben geen sluiptuig nodig om te sluipen met de panter.
Welletjesaan heb jij mij te verstaan gegeven. Dat de weg die het leven is, een weg is waarop heengaan en teruggaan 
voortdurend onmerkbaar wisselen. 
De weg van de wijzende drijfveer.
Iedere ochtend weer is ons streven om voordat wij opstaan zeven keer of meer van hot naar her te zweven. Als het zo uitkomt 
nemen wij een souvenirtje mee terug. Als niet – wat steeds vaker het geval is – dan niet.

Een voortdurende vitaliteit voor de Schat die mij gidst. Onaards is zij inmiddels, in zoverre dat ze blij is 
dat zij niet meer aan de kenmerken – gedragingen, impulsen, behoeftes, enzoverder – van haar aardse vorm hoeft te voldoen.
Hè Schat? Ja, zo is dat. En dat hoeft ook niet, dat hoeft ook niet. Niet aan de kenmerken van jouw aardse vorm. Niet 
aan de kenmerken van welke aardse vorm dan ook.

Hoe worden doden door de doden onthaald? Zonder enige poespas. 
Wat zijn de zinsverbanden? De kring van de trilling. Binnen de kring 
de geliefden bij de geliefden, de tevredenen bij de tevredenen, de dwalenden dwalend tot ze geadopteerd worden – 
zodat ze geliefd kunnen worden. Idem met de nog-niet-lossen.
Nee Schat, bij die laatste kring hoor jij niet. Jij bent los; jouw hart is vrij, in liefde bij mij.

Wij – mijn Schat en ik – verkeren tegenwoordig met elkaar daar, 
waar wel een stem is maar geen geluid, wel contour maar geen beeld, wel tranen maar geen verdriet.

(Niemand hoeft te geloven dat wat ik hier zeg waar is, maar iedereen moet geloven dat wat ik hier zeg is hoe ik het ervaren heb; hoe ik het waargenomen heb en voor waar neem.)




© mc 2002-2014





terug naar 1n (inhoud)





Geen opmerkingen:

Een reactie posten