zaterdag 9 augustus 2014

afscheid van de bloedweg

I
Soms heb ik nodig
De bevestiging van een spiegel die mij terugkaatst in al mijn verwrongenheid
Een stille gracht waar ik mij het geluid van mijn voetstappen kan herinneren
Een pand met gebarricadeerde openingen
De rauwe directheid van graffitiberichten die de machinaal gegraveerde parafernalia aan de puien 
   reduceren tot de relikwieën van een verloren gegaan geloof


1
Bij aanvang van de roomreis ben ik jong; 
een groene twijg in een woud van oud hout

Onbezoldigd in dienst van de veelkoppige magiër 
bewoon ik afgedankte zolderkamers

Ik loop vol met immuniserende geluiden, 
verkeer belangeloos met de getormenteerden 
en draaf op om de verslaafden over het paard te tillen

Ik onderga de grillen van schikgodinnen en schikgoden, 
raak verstrikt in de netten van totemgenoten 
en ga verbanden aan die nagloeien lang nadat de gouden lovers die beloofd werden verdord zijn

Witgevlagd en met toegeknepen neus betreed ik het kamp van de beroepsrechters, 
hoop op een snel en vaardig uitgevoerde coup de grâce, 
maar ren versierd met misplaatste wonden rond in een web van verdachtmakingen zonder grond


2
Ik maak wandelingen op het wad
   luister hoe de lieren loeien
blader de dossiers door
   en een pony wordt een merry

Ik volg de voren
   die als altijd naar behoren getrokken zijn
licht de doopcelen
   en een bot wordt een roos

Ik vul koeken met zilver zilt
   werp een harde dobbel met de aasgieren
verwijder de sluitspieren
   en een loflied krijgt klinkers

Ik pas loten bij
   aan een stamboom die mij opgedrongen is
ontmasker de beulen
   en een popje krijgt vleugels


3
Ik begrijp

Waar een onverwerkte collectieve schuld resulteert in oncontroleerbare aanvallen van collectief berouw
blijft een laag land nederig
blijft een nederig land hol
blijft een hol land leeg

Waar eeuwenoude trofeeën staan te wankelen op gistende sokkels
slaan de hardkoppigen geld uit hun onmacht
versloppen de zachtkoppigen zich in de harten van moegestreden steden

Waar het als teken van welvaart geldt de dagelijkse portie nachtschade te overgieten met bloed en vet
wekken aromatische kruiden en zongerijpte vruchten suggesties
die kortsluiten met het in dierlijke sappen gedrenkte voorstellingsvermogen

Waar gedweept wordt met het beeld van de zogende moeder
sieren de aan flarden gereden anussen publiekelijk de schandpalen


4
Ik neurie


Waai kleine man
slaaf je aan de braafste tong
treuzel niet als de vijand zich meldt
blijf drijven als het water stijgt

Draai kleine vrouw
slaaf je aan de bangste tong
treuzel niet als de vijand zich meldt
blijf drijven als het water stijgt

Graai lief kind
slaaf je aan de langste tong
blijf drijven als de vijand zich meldt
treuzel niet als het water stijgt


5
Vederlicht nu en alle evenwicht verloren begin ik opnieuw —
mijn schoot spuit vloeibare kristallen die een fractie van een seconde bevriezen – schitterend – op de grens van binnen en buiten

Ik hang guirlandes en als de verkommerden zich verzameld hebben ontsteek ik – als vanouds – de brandhaard
Als het vuur bijna verdovend is, fluister ik

Verlaat mij niet alleen met deze vrachten die lachen zodra de slang smacht naar meer
Verloop niet met mij naar het circuit waar maniakken als zakken neergaan zodra de geur van brandend leer
Versnij niet met deze dolk, maar klief mij – de meest betaste – kokhalzend door en neer
En ik zweer – voor eens en altijd
   ik zal bijvallen in de engste fuik
   ik zal levertranen leveren aan de minst biedende
   ik zal openlijk baren zonder mij te beroepen op enig bestaand woord


6
Dan bereik ik de leeftijd dat ik vergeefs wil dat mijn honger zich nog langer door trots laat stillen
Ik stuur wat nog rest van de kapers routineus naar de kust en zeg ze mee te gaan deinen met het duingras
terwijl ik – solo nu – verder struin van uitverkoopbak naar uitverkoopbak, mijn handen ruw van het wisselgeld


7
Omdat mijn voorvader aarzelde de kus van het brandende paard te blussen
ben ook ik er niet in geslaagd de geschilderde zonnebloemen te vernietigen



II
Drie huizen aan de Bloedweg
die ik kan dromen
alsof ze er voor altijd staan


1
Het eerste huis heeft twee kamers
éen waarvan ik het bestaan enkel uit verhalen ken
éen waar ik als kind wel eens binnen ben geweest 

Van een familielid – veel vertrouwder met de voormalige bewoners dan ik – kreeg ik later de twee foto's
de grafsteen met inscriptie
het portret van een lieve vrouw
De foto's horen bij elkaar en ze komen uit de kamer die ik nooit met eigen ogen zag

Uit de kamer die ik wel gekend heb komt de stok;
een hele gewone wandelstok, die meer in de hoek stond dan dat hij wandelde


2
Het tweede huis heeft ook twee kamers
éen grote
éen kleine
Ik ben er vaak geweest
vaker in de grote kamer dan in de kleine
vaker toen ik jong was dan toen ik al ouder was

In de grote kamer was het altijd een drukte
zonder belang
maar wel fijn
De grote regenboogkleurige zakdoek
en de zin als meisje had ik de eerste fiets van het dorp
maken duidelijk wat ik bedoel

Beide vond ik toen de grote kamer al bijna leeg was
de zakdoek om het hoofd van de vlezige lekkerruikende pop
  die zat op de stoel voor de piano waar de televisie op stond
de zin in een oudgeworden portefeuille van marokkaans leer
   waarin zoveel papieren en papiertjes gestopt waren dat een elastiek eromheen hem dicht moest houden

Wat ik uit de kleine kamer heb stelt niet veel voor
een fluitje
een flesje royal crown cola
een tas met hierin meters en meters brandwondenverband


3
In het derde huis ben ik veruit het meest geweest
Het had ook ooit twee kamers, maar ik ken het uit de tijd dat er nog maar van éen kamer sprake is

Aan die samengevoegde kamer zijn dan een aantal erkers gebouwd, en ook weer dichtgemetseld

waarna de erker waar ik altijd zat, wéer later – via een deur in de buitenmuur – tot garage geworden is;
de deur van buitenaf eruit gehakt
de garage ruim genoeg voor een tomatenrode renault 4
en een marineblauwe triumph spitfire

Omdat ik in dit derde huis veruit het meest geweest ben, is het des te eigenaardiger 
dat ik noch uit de kamer – de krijskamer, noch uit de erker – mijn erker – iets noemenswaardigs heb

Wel heb ik twee brieven
éen daterend uit de tijd dat mijn erker nog dichtgemetseld is
éen daterend uit de tijd dat de garage al volop in gebruik is

In de eerste brief wordt verslag gedaan van een blos
na een gesprek in gebrekkig duits
plaatsvindend op een camping aan de Rijn

de tweede brief bericht over een schuddende beweging
na het plassen
plaatsvindend langs de rijksweg richting Echt



III
O wat leek deze liefde kuis en zoet
en, vergeleken met de grofheid van eerder ervaren ketenen
wat kon zij – bij vlagen – bedachtzaam zijn en vrij


1
Ik ben de ik die men binnen kan vinden
de expressie losgebroken en uiteengevallen in honderd anoniemen


2
De toegang tot het feest der herkenning is niet meer betaalbaar
Ik zet het raam open en luister naar het ruisen van de boom


3
Ik werk

De hoofdtent kreeg een ingeweven kroonpatroon
en de kruizen verf ik dood met levend bloed

Het dier drinkt


4
Bestialiteiten spelen een cruciale rol
Als contracontrasten richten ze de tweede blik
De tweede blik verteert mijn kapitaal als benzedrine


5
Al wat mij rest is tijd

Vormeloos blijf ik volgen waar het dier leidt;
ik kom weer waar de woede woedt
ik kom weer waar de arme zich warmt


6
Wanneer de klok elf keer slaat keer ik

Zelfgenoeg nu leg ik mij neer
Slechts omringd door de geur van mijn zweet 
kan ik in het donker betrapt worden op collaboratie met de bezetter


7
Collaboratie gaat aan bevrijding vooraf




© mc 1992-2014





terug naar 1n (inhoud)



Geen opmerkingen:

Een reactie posten